ZIJN NET MENSEN!
 
Kaarsen zijn net mensen: er zijn dunne en dikke, grote en kleine, lange en korte, oude en jonge, maagdelijke en gebruikte, rode en groene (politiek gezien!), simpele en ingewikkelde, eenvoudige en voorname (ook van adel), vreemde en gewone, kromme en rechte, sterke en gebrokene, blanke, bruine, gele en zwarte, vrolijke en ernstige. Ook zijn er huilerige (druipkaarsen), opgetutte, verdraaide, vieze, bizarre en zelfs religieuze kaarsen! In de winkels rond kerst zie je nog wel meer soorten kaarsen die je met mensen kunt vergelijken.

Het zijn allemaal kaarsen, maar dat is dan ook wel het enige wat ze met elkaar gemeen hebben. Als je alles op een tafel zet, is het een ratjetoe. Geen indrukwekkende eenheid. Dat komt vooral goed aan het licht wanneer er een brandend kaarsje tussen wordt gezet. Dat eenvoudige, brandende kaarsje is de enige kaars die echt aan zijn doel beantwoordt: hij geeft licht en warmte, zijn hart staat in vuur en vlam.

Maar de andere kaarsen kunnen dat licht niet verdragen. Want daardoor komt aan het licht  dat ze allemaal hun doel missen! Daarom haten ze dat kaarsje: het wordt aan een houten kruis gehangen en uitgeblazen.

Dat is niet het eind van het kaarsenverhaal. Nu begint het pas! Het licht komt weer terug in de vorm van een grote brandende kaars. Met de uitnodiging aan de andere kaarsen om ook aangestoken te worden.
 
Nu is het kenmerk van vuur dat het zich gemakkelijk kan vermenigvuldigen: één vlam kan alles wat branden wil, in vlam zetten. Een kaars die het vuur welkom heet in zijn hart, krijgt hetzelfde licht als de grote kaars. Elke kaars wordt daartoe uitgenodigd door degene die de brandende kaars in het midden heeft gezet.

Misschien denken ze allemaal in eerste instantie: "Dat is niet voor mij, ik ben te dik, te dun, te vies, te klein, te oud, te roze of te rood. Bovendien kan ik niet bij die grote kaars komen..."
Maar dat is geen probleem. Degene die het licht heeft teruggebracht, brengt elke kaars die verlangt naar het licht, eigenhandig bij de grote kaars en zorgt ervoor dat het koude, donkere hart in aanraking komt met het brandende hart van die grote kaars.

Sommige pitjes zijn erg kort. Het duurt even voordat zo'n pitje vlam kan vatten. Dan is het ook maar een heel klein vlammetje. Sommigen hebben een lange aanlooptijd nodig en beginnen heel klein, daar moeten we geduld mee hebben.

Sommige kaarsen sputteren een beetje tegen als ze worden aangestoken, de pit is nat. Maar dat gaat vanzelf over!

Je kunt in een kaars de pit vervangen door een"sterretje". Als die aangestoken wordt, is het meteen vuurwerk! Maar het is maar van korte duur... Geestelijke hardlopers zijn ook vaak geestelijke doodlopers.

Soms wordt een kaarsje door één of andere oorzaak uitgeblazen. Een brandende broeder- of zuster-kaars kan hem weer aansteken.

Je kunt je als kaars verheugen in de nabijheid van de Grote Kaars: staan in zijn licht en genieten van zijn warmte. Maar dat kan zonder je zelf te laten aansteken: je vindt jezelf al indrukwekkend genoeg zonder vlam. Je houdt je hart op een afstand. Altijd naar de kerk, almaar onder het woord, maar zonder je te bekeren...

Licht is altijd sterker dan duisternis. Jezus is het Licht der wereld, en de duisternis heeft het niet gegrepen. Ook het allerkleinste vlammetje is altijd nog sterker dan de diepste duisternis! "Wie Mij volgt, zal nimmer in de duisternis wandelen, want hij zal het licht des levens hebben!" zei Jezus dan ook in Joh.8:12.

Zet een brandende kaars onder een stolp of een glazen pot: de kaars sluit zich af en luistert naar niemand meer. Hij kan ook zonder contact met anderen wel blijven branden en het licht laten schijnen... Of misschien toch niet?!

Brandende kaarsen ga je pas waarderen als het donker is. Christenen worden pas op hun waarde geschat als de moeilijkheden komen. Voor die tijd denkt men vaak ze te kunnen missen.

Kaarsen met een grote namaakvlam zijn indrukwekkend zolang het licht is. Zodra het echter donker wordt, zie je ze niet meer.

Kaarsen in een isolement, met een koker eromheen, kunnen wel branden, maar niemand heeft er wat aan.

Walmende kaarsen geven wel licht, maar maken ook veel zwart. Ze moeten gesnoten worden, er moet het één en ander bij ze verdwijnen.

Het vuur van een heel klein kaarsje kan onvoorstelbare hoeveelheden afval verbranden en grote branden veroorzaken

Heel dikke kaarsen lopen het gevaar weinig licht te geven op den duur. Niet al het kaarsvet wordt gebruikt om te verbranden en licht te geven. Het vlammetje verdwijnt dan steeds dieper in de kaars. Kennis die niet wordt omgezet in licht, belemmert na verloop van tijd het licht.

Als een kaars in de ene kandelaar niet brandt, brandt hij ook niet in een andere. Veranderen van kerk geeft je geen brandend hart.

Kaarsen kunnen niet branden zolang ze de vorm hebben van een vraagteken. Of zolang ze met hun hoofd naar beneden hangen. Ook branden ze niet lang wanneer alles om henzelf draait. Of wanneer ze niet uit de knoop willen komen. Ook up-en-downkaarsen kunnen moeilijk branden. (Zulke kaarsen kun je maken door ze in warm water te leggen en ze zo te vormen.)

Gebogen kaarsen kunnen weer worden hersteld door heel dicht bij een brandende kaars te blijven: dan worden ze warm en flexibel en kunnen ze worden recht gemaakt zodat ze weer onbelemmerd kunnen gaan branden.

Een lange dunne kaars kun je in kleine stukjes breken waarbij de pit heel blijft. Dat is dan een kaars die niet op eigen benen kan staan, het is een slappe Tinus. Maar wanneer hij van boven wordt vastgehouden, is hij zo recht als het maar kan en kan hij prima branden.

Kaarsen kunnen met hun pit vastzitten aan elkaar of aan allerlei dingen (je kunt er geld aan hangen, of een bierfles, of een mobieltje). Maar ze kunnen niet aan iets vast zitten en tegelijk branden: er moet gekozen worden. Ons hart kan geen twee heren dienen.

Wanneer de meeste kaarsen branden, is het een prachtige eenheid geworden: allemaal zeer verschillend, maar allemaal dezelfde vlam, hetzelfde vuur.
Dat lijkt op de eenheid waar Jezus om gebeden heeft in het Hogepriesterlijk gebed. Je hoeft het niet in alles met elkaar eens te zijn of precies dezelfde christelijke gewoonten erop na te houden. Het gaat erom dat het hart in vuur en vlam staat met het leven van Christus. Dat geeft  een soort eenheid die volmaakt is. En hoe meer er zijn, hoe meer licht en warmte. Nu zijn alle verschillen juist mooi. Die verschillen scheiden ze niet meer van elkaar, want het gemeenschappelijke licht gaat daar ver bovenuit. Het is een grote eenheid in grote verscheidenheid geworden!
Je kunt hier een kaarsenshow van maken met echte kaarsen!